Zelf startte ik in 1988 met Bioclear om te gaan werken aan de ontwikkeling van biologische technieken voor bodemsanering. Destijds een vernieuwing in de aanpak van bodemverontreiniging, hoewel de markt er flink en lang aan moest wennen dat die kleine micro-organismen zulke problemen zouden kunnen oplossen. De vooroordelen waren groot: de biologie is kwetsbaar, kan niet tegen de aangetroffen concentraties giftige stoffen en het duurt vreselijk lang, minstens dertig jaar was het idee. Dat liep gelukkig anders, de biologie bleek veel robuuster en veel sneller dan ooit gedacht. Waar ‘zekere’ pump & treat oplossingen vijf tot tien jaar en soms veel langer nodig hadden om een chloorkoolwaterstoffen verontreiniging (bijv. Per en Tri) te verwijderen deed de biologie het in twee tot vier jaar. De potentie bleek groot en inmiddels nemen biologische zuiveringstechnieken een groot deel van de bodemverontreinigingen voor hun rekening.
Dat bracht me acht jaar geleden wel op de vraag: als de microbiologie in de bodem tot op grote diepte zo krachtig is en verontreinigingen tot wel 100 meter diep worden afgebroken - wat doet en kan de bodembiologie dan wel niet in de toplaag van de bodem, waarin ze nog zo veel talrijker en diverser is dan in de diepere ondergrond? Wat doen die enorme aantallen bacteriën en schimmels in die bovenste teellaag van een landbouwperceel en zou de boer daar wat aan kunnen hebben? Zo ontstond de vraag, wat is een gezonde bodem en wat kan dat voor ons en voor de landbouw betekenen in aanvulling op de chemie en de mechanisatie? Inmiddels zijn we hierin bijna acht jaar aan het pionieren en de eerste toepassingen beginnen zich af te tekenen.








